Bang om te praten


De jonge Afghaanse Gulnaz (17 jaar) heeft nog steeds veel verdriet over haar vader die in Afghanistan werd vermoord, omdat hij christen was. Daarom houdt zij de bedreigingen die zij op haar azc ontving angstvallig stil voor haar moeder en broers en zussen. “Ik wil hen niet bang maken”, zegt ze trillend.


Als ze even heeft gehuild om het lot van haar vader, vertelt ze hoe ze zelf op een azc met de dood is bedreigd. Ze haalt een handgeschreven briefje uit haar tas; geschreven in Dari. “Ik weet niet wie het heeft geschreven, maar er staat dat ze me zullen verbranden als ze mij nog ťťn keer met een Bijbel zien lopen. Het werd onder onze deur geschoven. Gelukkig kan mijn moeder niet lezen. Ik durf haar niet te vertellen wat er staat, anders zou ze instorten. Ze heeft mijn vader ook al verloren.”

Plotseling verandert haar gezicht in dat van een sterke vrouw en kan ze zelfs glimlachen als ze zegt: “Ik stop nooit met mijn geloof in Jezus. Als ze me daarom willen vermoorden – en het Gods wil is - ben ik daar trots op. Hij is mijn Vader, mijn God en Hij geeft mij vrede. Als ik over Jezus praat, gaat mijn hart sneller kloppen.”

Dreigbrief

Een verborgen geloofsleven spreekt Gulnaz niet aan. Ze wil juist doorgaan met getuigen, zoals ze dat doet in een koor van haar kerk dat bestaat uit Afghanen en IraniŽrs. Krachtig zegt ze: “Ik wil het wel uitschreeuwen voor God. Ik praat veel over Hem en deel bijvoorbeeld boekjes en cd’s uit. Dat is de reden dat ik word bedreigd. Ik heb al eens eerder een dreigbrief ontvangen, maar die heb ik weggegooid. Ik bewaar deze nu als bewijs.”
Ze heeft ook meegewerkt aan het onderzoek dat minister Leers van Immigratie en Asiel door Deloitte heeft laten uitvoeren. Dat moet duidelijk maken of bedreigingen en discriminatie op azc’s inderdaad voorkomen, zoals Gave eerder bekendmaakte. Toch durft Gulnaz niet vrijuit met het COA te praten over haar bedreigingen uit angst voor represailles van de daders. “Niet voor mijn eigen veiligheid, maar dat wil ik mijn moeder niet aandoen. Ik vertrouw het COA niet.” De verzekering dat deze instantie geen vertrouwelijke informatie vrijgeeft, stelt haar gerust. “Dat wist ik niet. Misschien is het dan toch goed om te praten. Dan kan ik hen de dreigbrieven laten zien.”

Asielaanvraag

Toch is ze nog niet helemaal gerustgesteld, maar dat heeft een andere reden. “Ik heb een negatieve beslissing gekregen op mijn asielaanvraag. De IND gelooft mijn verhaal niet; dat mijn vader is vermoord omdat hij christen is en wij moesten vluchten. Ik ben christen en kan niet terug naar Afghanistan. Daar loop ik groot gevaar dat mij hetzelfde overkomt als mijn vader.”
Het was juist haar vader die haar vertelde over Gods liefde. Ook een van haar broers – die al in Nederland was toen zij nog in Afghanistan woonde – sprak daar met haar over via internet. Nu bezoekt ze eenmaal per twee weken een internationale kerk ergens in Nederland. “We bidden samen voor mijn landgenoten.”
Daarom koestert ze geen wrok tegen haar bedreigers en voor haar jonge leeftijd toont ze een opmerkelijke wijsheid: “Iedereen die je in het leven tegenkomt, moet je beschouwen als een leraar. Er zijn goeden en slechten. Mijn bedreigers zijn de slechte leraren; die probeer ik zo snel mogelijk te vergeten, maar ik bid wel voor hen.”
Gulnaz is een gefingeerde naam

Tekst: Jeroen Kanis
Weergave maart 2012