Rasak, een Koerd uit Irak

Rasak Avakthi heeft een bijzonder getuigenis hoe God hem gered heeft uit de duisternis en bij Jezus heeft gebracht. Op veel plaatsen vertelt hij zijn levensverhaal. Hier een link naar een audio-bestand. Onderstaand getuigenis is in 1998 in boekvorm verschenen en onder de donateurs van Gave verspreid. Rasak was een medewerker bij Gave.

Rasak (47) is als Koerd geboren in Noord-Irak, dichtbij Kirkuk. De jongen groeide op in een gezin met zeventien kinderen. Alleen Rasak, een broer en twee zussen zijn nog in leven. Door de slechte medische voorzieningen voor Koerden zijn de meesten al jong gestorven. ”Op negenjarige leeftijd vertrok ik met ons gezin naar Bagdad. Wij hebben daar gewoond in de cultuur die je ook in de Bijbel terugvindt: Nineve, Ararat, de toren van Babel en Nebukadnezar. In Bagdad hadden we een heel ander leven. In dorpen leven vaak boeren die in God geloven, in de stad is dat veel minder.”

Rasak merkte al snel dat zijn Koerd-zijn veel nadelen met zich meebracht. In Bagdad was het verboden om Koerdisch te spreken. Rasak was wel gedwongen om Arabisch te leren, zodat hij niet met stenen bekogeld zou worden. ”Als kind wilde ik met mijn vader de straat oversteken via een zebrapad. Aan de overkant stond een politieagent. Wij liepen niet precies over de witte strepen. De man werd boos en liet mijn vader een boete betalen. De politie merkte aan het accent direct dat mijn vader Koerd was. Hij gaf mijn vader een heel harde klap in het gezicht. Mijn vader gaf geen antwoord en betaalde de boete. Dat was moeilijk, omdat ik altijd dacht dat mijn vader de sterkste van de hele wereld was.”

Op school ging het ook niet zoals hij graag zou willen. ”Ik was een vreemdeling. Ik kon maar met een paar kinderen goed opschieten en had daarom ook geen zin om te leren. Een groepje kinderen van school wachtte iedere dag na schooltijd mij op. Dan gaven ze mij allemaal klappen op mijn hoofd. Het begon een gewoonte te worden, net zoals eten. Toen ik wat ouder was, heb ik hier een einde aan gemaakt. Ik heb de leider van de groep tegen de grond geslagen, de rest rende vanzelf weg. Ze werden later zelfs bang en gingen mij begroeten.”

Met een vriend kon hij goed opschieten, maar dat veranderde: ”Hij werd door zijn ouders opgestookt en mocht niet meer met mij spelen. Ik had geprobeerd om alles goed te doen, maar niets hielp, omdat ik Koerd was.”

”Mijn vader werkte in de rijstfabriek. In Bagdad had hij een eigen winkel. Mijn vader kon in Bagdad goed werken, maar de buren waren tegen ons. Arabieren hebben ons altijd geplaagd. Iedere Koerd weet dat een Arabier tegen je is. In Iran schelden ze ons uit als aanhangers van Saddam Hoessein, terwijl in Irak de mensen dachten dat we Khomeini als leider zagen. Wij Koerden horen niet bij SyriŽ, Turkije, Iran of Irak. Wij zijn een apart volk. Voordat wij verhuisden, wist mijn vader niet dat het zo moeilijk zou worden. Hij kon niet meer terug naar Noord-Irak. Hij had het daar heel moeilijk mee, maar daar werd thuis niet over gepraat.”

Rasak komt niet uit een fanatiek moslimgezin. ”Wij waren alleen van naam moslim, mijn ouders hebben Allah nooit aanbeden. Wij gingen nooit naar de moskee. Wij hadden thuis geen Koran. Wij hielden geen Ramadan. Wij waren alleen moslim op papier, zodat we geen gevaar liepen door fanatieke moslims. Voor het eten ging mijn vader staan, hield zijn handen omhoog en dankte de Schepper voor het eten. Wie die Schepper was, wist hij niet. Ik heb mijn vader heel vaak als een kind zien huilen. Hij zei dat hij God wilde leren kennen, maar hij kende alleen een God die heel ver weg in de hemel was; zo ver, dat hij niet te bereiken was. Hij wist dat dit niet de echte God was, dat er Iemand anders moest zijn. Hij wist alleen niet waar hij Hem kon vinden.”

Leger

Ik had helemaal geen zin om te leren: op mijn zeventiende ging ik al in het leger. Ik wilde stoer zijn. Ik wilde laten zien dat ik de sterkste was, daarom ging ik bij de commando’s. Ik volgde de opleiding in Bagdad. Op mijn achttiende ben ik naar Noord-Irak gegaan om voor Saddam Hoes-sein te werken. Ik was een soort sportleraar, gaf onder andere wapeninstructies aan de soldaten. Gelukkig hoefde ik zelf niet te vechten. Er was geen oorlog, dus we moesten alleen de grens bewaken tegen smokkelaars. Ik heb daar zes jaar gezeten.”

”Ik was ongehoorzaam tegenover mijn ouders. Mijn vader vond niet dat we in de politiek of het leger moesten. Hij wilde niet dat we iets met het anti-Koerden bewind te maken kregen. Toch zei hij nooit duidelijk hoe hij over Saddam dacht. Met mijn besluit om in het leger te gaan deed ik mijn familie veel pijn. Wij hadden een sterke band in de familie. Ik was de enige die zich hiervan heeft losgemaakt. Aan de ene kant ben ik heel verdrietig over mijn besluit om in het leger te gaan. Maar ik heb er ook veel geleerd. Ik leerde om op mezelf te leven. Dat had ik later hard nodig. In mijn familie is het verboden om uit je eigen omgeving te vertrekken. Waar je geboren was, moest je ook sterven. Alles draaide om thuis; je mocht nooit bij iemand anders slapen. Toen ik de eerste nacht in de kazerne was, lukte dat ook niet echt.”

Saddam

Op een middag zat ik in de tent en hoorde dat Saddam Hoessein op bezoek zou komen. Ik zag een paar helikopters in de lucht hangen en dacht: ”Deze man wil ik vermoorden”. Waarom? Ik wilde bekend worden als iemand die een belangrijke man uit Irak had vermoord. En ik wilde de Koerden beschermen. Ik had een automatisch pistool klaargemaakt. Binnen een paar seconden zou ik dertig kogels kunnen schieten. Toen Saddam naast mij stond, dacht ik opeens aan mijn familie en aan al de Koerden. Ze zouden sterven als ik hem zou vermoorden. Ik heb niet geschoten. Nu dank ik de Heere God ervoor, omdat Hij mij niet verloren wilde laten gaan.”

”Na Saddams vertrek werd ik onrustig. Ik stelde allerlei vragen over de onderdrukking van de Koerden. De andere soldaten kwamen er zo achter dat ik ook Koerd was. Toen ik met verlof in Bagdad was, werd ik van straat geplukt. Een ambulance met geheime politie in burgerkleding pikte me op en bracht me in de gevangenis.” Rasak zat met andere jonge Koerden in een cel. Niemand wist waarom ze er zaten. Ook mensen die niet actief in de politiek betrokken waren, zaten in de gevangenis. Het was een verschrikkelijke tijd. ”We zaten in de afdeling voor de zwaarste criminelen. Drie keer per dag kreeg ik slaag. We werden op allerlei verschillende ma-nieren gemarteld. Midden in de nacht werden we door de bewakers met water bespoten. We hadden maar een halve deken om onder te slapen, een kussen ontbrak. Er was geen licht, je
wist nooit of het dag of nacht was.”

Uitzicht op vrijheid of een rechtzaak was er niet. Rasak werd steeds wanhopiger. ”Misschien moest ik wel mijn hele leven in de gevangenis blijven. Ik dacht: het is beter om zelfmoord te plegen. Ik heb een lepel op de gevangenisvloer heel scherp gemaakt en mij toen in de buik gestoken. Alle darmen kwamen naar buiten. Na een paar dagen gingen mijn ogen open, ik zat vastgebonden aan een ziekenhuisbed. Ze wilden me weerhouden van een tweede zelfmoord-poging. Ik vond het heel jammer dat ik nog leefde, nu moest ik weer terug naar de gevangenis. Opnieuw kreeg ik klappen en werd uitgescholden, terwijl ik helemaal niets gedaan had.”


Na een jaar zag Rasak en de rest van de Koerdische gevangenen het niet meer zitten. ”We waren levensmoe geworden. We gingen als het ware iedere dag dood. Het is beter ťťn keer te sterven dan iedere dag opnieuw. We hebben de deur van onze cel opengebroken. Ook andere cellen, vol met jonge Koerden, maakten we open. We hadden geen wapens, maar hebben wel het elektrisch, waterleidingen en wc’s gesaboteerd. De bewakers schoten waarschuwingssalvo’s. Helikopters vlogen over om foto’s te maken. We bedekten onze gezichten met kleren, zodat de Irakezen later geen bewijsmateriaal hadden. We zaten in het midden van de gevangenis, de bewakers om ons heen. Een officier van Saddam wilde met ons praten. Ik ging met een paar vrienden naar voren. We hebben hem laten weten dat wij vrij of dood wilden. Die man beloofde ons dat het goed zou komen.”

Voordat het zover was, brak er een moeilijke tijd aan. ”Iedere dag werden er mensen van ons neergeschoten. ’s Morgens om vier uur hoorde je de naam van degene die vermoord zou worden. Op een dag werd mijn naam genoemd. Een speciale politieman van Saddam kwam om me uit de cel te halen. Hij morrelde wat aan de deur, maar die ging niet open. De volgende dag werd mijn naam opnieuw genoemd. De politieman komt weer bij mijn deur, maar kan hem ook nu niet openkrijgen. De derde dag hetzelfde verhaal. Maar wanneer de man voor het eten kwam, ging de deur altijd heel makkelijk open. Alleen bij die man voor mijn doodstraf bleef de deur dicht. De Heere bewaarde mij. ”Een paar dagen later kregen de gevangenen te horen dat Saddam hun de vrijheid wilde geven op de voorwaarde dat ze uit Irak vertrokken. Rasak vluchtte naar Iran in de hoop dat dit een veilig land was. De vrijheid duurde niet lang. ”Ik dacht dat ik in Iran vrede zou vinden, maar we zijn gepakt door Iraanse soldaten. Zij dachten dat we spionnen van Saddam waren. We gingen van gevangenis naar gevangenis, van probleem naar probleem.”

Na een tijdje werd Rasak naar een tentenkamp voor vluchtelingen in Noord-Iran gebracht. Opnieuw waren er veel ontberingen. ”Het was daar heel erg koud en ik had nog steeds dezelfde kleren als in de Iraakse gevangenis. We waren heel erg vies geworden. In de winter zaten we acht maanden in een tent, met rondom ons ongeveer een meter sneeuw. De regering had ons alleen een olielamp gegeven. Voor eten moesten we zelf zorgen. Na een poosje zag ik het niet meer zitten en heb de tent verbrand.”

Verzetsstrijder

Opnieuw zetten de IraniŽrs hem in de gevangenis. Gelukkig zorgde een gevluchte Irakees ervoor dat Rasak weer de vrijheid kreeg. Hij kon hem goed gebruiken voor acties tegen Saddam. Zelf was hij minister geweest voordat Saddam de macht kreeg en hij wilde nu tegen deze dictator strijden. ”Hij heeft veel mensen uit de gevangenis vrij kunnen krijgen. Wij kregen wapens en alles wat we nodig hadden en trokken naar de Iraakse grens.” Het doel was om Saddam weg te krijgen, zodat er via een democratische weg een nieuwe leider in Irak zou worden gekozen.

Rasak heeft bijna tien jaar gevochten in deze guerillagroep. ”We hadden geen tanks en voertuigen, maar wel wapens en mijnen. We trokken stiekem over de grens. Omdat we de cultuur kenden en Irakese uniforms droegen, vielen we niet op. Ook Turken, christenen en moslims vochten mee tegen Saddam.” Verscheidene keren kwam de dood erg dichtbij. ”We waren eens met een paar mannen op weg naar de Irakezen. Voor ons schoten de soldaten van Saddam. Achter ons richtten de IraniŽrs hun wapens op de Irakezen, maar hun geschut kwam niet altijd ver genoeg. Vlak achter ons sloeg zo’n verdwaalde granaat in. Op anderhalve meter van mijn collega. Hij droeg een antitankwapen dat door de inslag ontplofte. Hij overleefde het niet. Ook anderen verloren hun leven, of gaven zich over aan de Irakezen, waarna ze alsnog vermoord werden. Ik vluchtte een berg op. Hoorde overal kogels om me heen vliegen. Ik was heel erg moe en bang. Het leek me beter om dood te gaan. Ik bad tot God: ”Ik weet dat U bestaat; laat me dood gaan zonder pijn. Heere, wie bent U?”

Ik viel op de top van de berg in een diepe slaap. De volgende daghoorde ik de vogels fluiten, de vijand was vertrokken. Het was een wonder van God.”

Huwelijk

Rasak huurde een huis in Teheran. Hier vond hij zijn toekomstige vrouw op een manier die in Nederland niet veel voorkomt, maar in het Midden-Oosten gebruikelijk is.

”Op een morgen zag ik een mooi meisje bij mij door de straat lopen. Ze woonde vlak bij me. Ik volgde haar naar school en zag later in welk huis ze woonde. Ik heb haar buren gevraagd of ze misschien al een andere man had. Ik heb haar vader bezocht en gezegd dat ik bij hem op visite wilde komen. Ik nam een paar vrienden mee die goed Perzisch spraken. Ik heb gezegd dat ik zijn zoon wilde worden. Je zegt niet dat je met zijn dochter wil trouwen. In mijn cultuur ga je daar heel voorzichtig mee om. Na veertig dagen krijg je het antwoord. In die periode onderzocht haar familie mijn leven. Haar moeder vertelde haar alles wat ze van mij wisten en liet aan haar de keuze.”

”Ook het antwoord bereikt de man op een indirecte manier. Tijdens de tweede visite wordt er thee geschonken. Wanneer er suiker in de thee zit, is het antwoord ”ja”. Bij thee zonder suiker moet de man zijn toekomstplannen bijstellen. Hij mag niet naar de reden van afwijzing vragen.”

”Het eerste slokje was verschrikkelijk zoet. We hebben elkaar de hand gegeven. Het volgende kopje mocht de aanstaande bruid zelf brengen. Zij deed de sluier een beetje open, zodat ik haar gezicht te zien kreeg. Ik was zo blij. Daarna kregen we een kwartier om met elkaar te praten. Haar zusje moest er bij zijn, omdat aanstaande echtgenoten niet met z’n tweeŽn bij elkaar mo-gen zijn.”

Haar familie vond het wel moeilijk dat ze met een Irakees wilde trouwen. Twee broers waren in de oorlog met Irak gesneuveld. Vooral haar oom en broer waren erg negatief over het huwelijk. ”Ik ben blij dat de rest van de familie het wel goed vond.”

Hoe zijn familie tegen het voorgenomen huwelijk aankeek, wist hij niet. ”Mijn familie dacht waar-schijnlijk dat ik al in de Irakese gevangenis gedood zou zijn. Er waren namelijk meer mensen die nooit meer terugkwamen bij hun familie. Zij werden bijvoorbeeld in een bad met accuzuur gegooid. Ik zocht geen contact met mijn familie, omdat ik bang was dat mijn familie anders opgepakt zou worden. Alle post werd namelijk gecontroleerd.”

Binnen een paar dagen is Rasak getrouwd. In zijn cultuur bestaat er geen echte verkerings-periode. ”Verkering is niet verkeerd, maar er zijn heel veel mensen die in hun verkeringstijd te ver gaan.” Dat je elkaar dan niet zou kennen is voor hem geen probleem. ”Vanuit een rein hart heb ik voor mijn vrouw gekozen, daardoor wist ik dat ze bij me paste.” De bruiloft duurde niet zoals in de Koerdische cultuur zeven dagen. Na een dag was het feest al afgelopen. De cultuurverschillen waren niet onoverkomelijk. ”De Iraanse cultuur lijkt een beetje op de Europese gewoontes. Bij de Koerden heb je net zoals in de Bijbel een lange rouwperiode. In Iran is deze tijd maar kort.”

Rasaks vrouw kwam uit een moslimgezin dat ook alleen maar in naam moslim was. ”Ik vroeg haar moeder hoeveel kinderen Mohammed had en waarom Ramadan belangrijk was, maar ze kon geen van deze vragen beantwoorden. Ze geloofde niet in Allah, hun achtergrond was de oude Perzische religie van Zarathoestra.”

Rasak werkte ondertussen nog steeds als soldaat. ”De laatste jaren moest ik alleen maar les-geven aan soldaten, dat was achthonderd kilometer verwijderd van de grens waar oorlog gevoerd werd. Mijn vrouw was bang om dood te gaan. Er waren bomaanslagen, mensen gingen naar de bakker, maar kwamen niet terug. Je was altijd in gevaar.”

Khomeini

De oorlog tussen Irak en Iran was voorbij. De vrede keerde terug. Binnen twee dagen moesten de leiders van de anti-Saddam groep Iran verlaten. ”Drie mannen van Khomeini kwamen bij me en vroegen of ik voor hen wilde werken. Ze zouden me goed betalen. Ik wilde echter niet voor een gevaarlijke islamitische regering werken. Ik heb gezegd dat ik erover moest nadenken.” Rasak raadde zijn collega’s aan om Iran te verlaten. ”Zelf kon ik niet weg, ik wilde mijn vrouw en kinderen niet achterlaten.”

Rasak ging terug naar huis, maar werd al snel door IraniŽrs meegenomen naar de gevangenis. ”Ik had eerder in de gevangenis gezeten, maar het was nooit zo erg als in die tijd. Mijn neus sloegen ze kapot. Ik zat daar in een soort hondenhok: anderhalve meter lang, een meter breed en even zo hoog. Er lag een natte doek op de grond, vanuit vier hoeken kwam kou de lucht.

Het leek op een diepvrieskist, ik kon alleen maar krom zitten. Iedere paar minuten maakten de bewakers het raam open en vroegen of ik wilde vertellen wie mij de wapens gegeven had. Ik kreeg een zwarte doek over mijn ogen en werd ondervraagd. Ik heb een paar keer gezegd dat ik niet tegen hun regime was. Als antwoord kreeg ik van alle kanten klappen en moest weer terug naar het hondenhok. Daar hoorde ik nare stemmen, het leek alsof mijn vrouw schreeuwde. Ik dacht dat ze haar ook hadden opgepakt en haar martelden.”

”Na vijftien dagen werd ik naar een kamer gebracht met vijf mannen om me heen. Een man zegt: ”We kunnen niet met jou praten, maar we hebben Allah. De Koran ligt op de tafel, jij moet je hand daarop leggen. De Koran zal laten zien of jij de waarheid vertelt of liegt.” Het was niet een gewoon boek, maar ťťn van metaal met aan de onderkant een stroomkabel. Ik legde mijn hand erop en kreeg een paar seconden een sterke stroomstoot. Ik struikelde naar achteren en viel op mijn rug. ”Zie je dat, je bent tegen onze regering, tegen de islam”, was hun reactie. Ik ben daarna heel zwaar afgeranseld, totdat ik bijna dood was.” Op dezelfde avond werd Rasak met een jeep in Teheran gedumpt. Meestal rijden de politiemannen in burgerkleding weg en schieten je neer. Getuigen vertellen later dat ze een onbekende auto hebben zien wegrijden van waaruit die man neergeschoten werd. Wat in de krant vermeld wordt als: ”Doodgeschoten door onbekende burgers”. ”Ik opende mijn ogen, zag de jeep wegrijden zonder dat ze mij neerschoten. Ik was totaal uitgeput en bijna verlamd. Overal kwam bloed uit me. Ik begrijp niet dat ze me niet hebben gedood. Maar ik weet dat de Heere mij kracht gaf om heel hard naar huis te rennen. Via kleine steegjes ben ik thuis gekomen.”

Vlucht

Rasak is niet direct met zijn vrouw het land uitgevlucht. ”We hebben eerst de tienduizend dollar voor een Turkse gids geregeld, door onder andere de sieraden van mijn vrouw te verkopen. Na ongeveer anderhalve maand zijn we weggevlucht. In die tijd veranderden we iedere keer van adres. We hebben bijna alles achtergelaten. Het was niet de eerste keer dat alles wat ik bij elkaar verdiend heb uit mijn handen glipte. Maar ik ben heel dankbaar dat ik het belangrijkste, de Heere Jezus heb gevonden. Hij heeft mij rijk gemaakt. Hij heeft voormij een prachtig huis bij God in de hemel. Dat kan nooit kapot, het is daar niet gevaarlijk en er zijn geen tranen. Daar is alleen maar liefde.” De noodzakelijke vlucht naar een veilig land kon beginnen. Het was de bedoeling dat Rasak, zijn zwangere vrouw en de drie zonen via Turkije naar Zweden zouden reizen... ”De gids heeft een ezel gehuurd voor mijn vrouw. We moesten door de bergen klimmen met ťťn kind op mijn rug en twee aan een touw. We zagen de Turkse soldaten aan de grens, maar zij merkten ons niet. De volgende dag hield ťťn van die Turkse soldaten ons aan en vroeg om ons paspoort, maar dat hadden we niet. De gids gaf hem wat geld. Toen de soldaat erachter kwam dat hij door zijn onoplettendheid ons de grens had laten passeren, werd hij bang. Hij zei: ”Ik heb jullie niet gezien, ga er snel vandoor.”

”In Ankara hebben we paspoorten gemaakt. Vanaf daar reden we verder met een auto. Soms moesten we lopend via een bos een grens passeren, terwijl een tweede gids met de auto reed. We zijn gelukkig nooit door de douane gepakt.” In Nederland aangekomen wilde de gids niet verder gaan. Volgens hem was de grenscontrole strenger geworden door de Golfoorlog. ”Hij zei dat we een Europees paspoort moesten krijgen. Mijn vrouw moest haar haar blond verven. Ik denk dat hij gewoon meer geld wilde, maar dat hadden we niet. Ik was heel erg moe en wilde in Nederland blijven.”

Nederland

In welke plaats ze waren terechtgekomen weet Rasak niet. ”Mensen hebben ons naar een politiebureau gebracht. Een heel aardige vrouw hielp ons daar. Het was vrijdagmiddag, eigenlijk moest het kantoor al dicht. We hadden alleen maar slechte ervaringen met de politie; onbegrijpelijk dat deze vrouw ons zelfs drinken gaf.” Met de trein reisde het gezin naar Zwolle, waar een busje hen naar het asielzoekerscentrum in Slagharen bracht.

De indruk die Rasak tijdens de reis van Nederlanders kreeg was niet zo positief. ”Het was warm weer. Ik keek uit het raam en zag vrouwen aan het water die halfbloot waren. Dat was voor het eerst van mijn leven dat ik zoiets zag. Ik dacht dat het niet echt was, dat het misschien poppetjes waren. Ik keek snel de andere kant op, maar zag daar ook al halfblote dames. Ik heb aan God gevraagd om dood te gaan. ”Heere, ik ben gevlucht van Iran en alle moeilijkheden, maar ik wil zo niet leven.” Wij hebben geleerd dat we daar niet naar mogen kijken, het is een grote zonde. Ik was heel bang, ik dacht dat ik naar de hel zou gaan.”

Ook in het asielzoekerscentrum was de beginperiode moeilijk. Het personeel deed Rasak aan de wrede gevangenissfeer in Irak denken. ”Ook kregen we eten dat ik nog nooit eerder had gezien. We mochten niet zelf kiezen.” De eerste dag draaide in de gemeenschapsruimte een nare film op televisie. ”De andere asielzoekers applaudisseerden, ze vonden het juist een goede film.”

In de zes maanden dat Rasaks gezin in Slagharen zat, durfde zijn vrouw geen enkele keer buiten te komen. ”Ik dacht dat ik de eerste dag al antwoord zou krijgen of wij in Nederland mochten blijven, maar dat gebeurde niet. Ik hoorde dat sommige vluchtelingen weer terug moesten naar Irak en werd bang dat wij Nederland weer zouden moeten verlaten. Ik werd ziek in mijn hoofd, ik dacht altijd aan de dood.”

Na zes maanden wachten werden ze toch toegelaten als vluchteling. Rasaks gezin mocht een woning kiezen. Ze kozen voor een plaats in Overijssel. Iemand had hem gewaarschuwd om niet naar deze plaats te gaan, waar de mensen geen tv’s hadden en je geen disco kon vinden. ”Dit is juist goed voor mijn vrouw en kinderen”, zei Rasak. Na vijf jaar kreeg het gezin een Nederlands paspoort. ”We hebben hier alles gevonden. In Iran waren we Irakees en in Irak zagen ze ons als Koerd, wel noemen sommigen ons hier zwarte koppen. Aan de andere kant dank ik de Heere voor de regering en de politie. Als je die vergelijkt met de regering in Irak en Iran is het een wereld van verschil.”

Bekering

Rasak ging direct na de verhuizing op zoek naar een goede school voor zijn kinderen van vijf en zes jaar. Hij kwam terecht bij een christelijke school. ”Ik wist niet wat dat betekende ’School met de Bijbel’, maar het leek mij wel goed. De school was dichtbij en de directeur gebruikte tijdens het gesprekje dat ik met hem had het woord ’Koran’. Ik dacht: ”Nu kunnen mijn kinderen ook nog uit de Koran leren”.

Aan tafel dankte Rasak, net zoals zijn vader, staand met zijn armen uitgestrekt naar de hemel. Na een paar weken zeiden de kinderen: ”Papa u hoeft niet zo te staan, met de handen naar bo-ven. U kunt ook uw ogen dicht doen, handen dicht en dan bidden.” ”Nee”, zei ik, ”dit heb ik van mijn vader geleerd en dat is goed.” De kinderen moesten al snel Psalmen leren.Zonder de inhoud te bevatten, oefende het gezin de liederen aan tafel.

In die tijd kwam Rasaks vrouw via vluchtelingenwerk terecht op een naaicursus. Dat kon het gezin goed gebruiken. De eerste maanden had ze geen contact met andere vrouwen; wel raakte ze onder de indruk van een aardige cursusleidster. ”Ik vroeg mijn vrouw na een paar maanden: ”Wat heb je al geleerd?” ”Ik heb alleen geleerd: handen dicht, ogen dicht en dan bidden”, antwoordde ze. Ik werd kwaad en heb mijn vrouw verboden om nog naar naailes te gaan als ze toch niets leert.” Na een paar weken kwam de cursusleidster bij Rasaks gezin op bezoek. Rasak liet weten dat hij het geldverspilling vond als zijn vrouw alleen maar leerde bidden en niks wist van kleren naaien. Toch vond Rasak haar ook sympathiek. ”Zij had iets bijzonders, maar ik kon niet zeggen wat het precies was. Ze gaf ons een boek en bad met ons. Ik wist niet dat het Gods boek was, ik dacht dat de Bijbel heel bijzonder was, geschreven met gouden letters. Ik had nog nooit een Bijbel gezien, had nooit gehoord dat Jezus Christus God was. Ik had alleen gehoord dat Hij een profeet was. Als ik nu terugkijk, zag ik toen in deze vrouw de verheerlijkte Christus. In ons huis klonk de stem van de Heere Jezus die ons rein maakte, maar wij wisten het niet.”

Alleen van de bijstand rondkomen, lukte niet goed voor Rasaks gezin. Hij wilde graag werken en zo geld verdienen. Via het arbeidsbureau kwam hij bij een schildersbedrijf terecht. ”Mijn lichaam was en is nog steeds erg zwak, vooral door de laatste martelingen in de Iraanse gevangenis. De eerste week viel ik tijdens het werk. De Gezondheidsdienst heeft mij daarna afgekeurd. Ik heb nog geprobeerd minder uren bij de schilder te werken, maar het lukte niet.”

Wanneer Rasak bij de eigenaar van het schildersbedrijf at, zag hij hem iedere keer met zijn vrouw bidden. ”Hij dankte voor alles en bad ook voor IsraŽl. Zonder dat hij het wist bad ik mee. Ik deed mijn handen en ogen dicht. Wanneer hij ”amen” zei, herhaalde ik het in mijn hart.” Rasaks vrouw stelde voor om eens naar een kerk te gaan. Misschien zouden er daar antwoorden gegeven kunnen worden op hun vragen. Het werd een teleurstellende ervaring. ”Niemand vertelde daar over de Heere Jezus. Wel kwamen ze later bij ons om te vragen wie we waren en waar we vandaan kwamen, maar niets over de Heere Jezus.”

Via de schilder kwam Rasak in contact met een evangelist. Hij bezocht het gezin van Rasak om met hen bijbelstudie te doen. ”Ik begreep weinig van de drieŽenheid. Wat betekent: ”Laat Ons mensen maken?” ”Zijn er dan drie Goden?” Hij vertelde over God, dat Hij de hemel en aarde ge-maakt heeft. Ik dacht dat de Bijbel alleen voor christenen was en niet voor mij. Ik was jaloers op hem, zijn woorden waren oprecht en bereikten mijn hart. Hij zei: ”God is niet zo klein zoals jij Hem ziet. De genade van God is verschenen aan alle mensen. Het werk van de Heiland is voor iedereen, ook voor jou.”

Rasak voelde zich te slecht voor deze woorden. Wat moest hij doen om christen te worden? Hij voelde een zware last op zijn schouders hangen. ”Je moet je zonden belijden”, was de reactie van de evangelist. ”Ik gaf mijn leven over aan de Heere Jezus: het zware pak van moeiten en zonden was ineens weg. In die paar minuten van gebed, kwam ik tot leven. Ik zag heel mijn leven als een film aan mij voorbijtrekken: alles wat ik heb gezegd, alle gevaarlijke momenten, de dood die ik heb gezien in mijn leven. Ik zag waarom de Heere mij daar bewaard had. God had de bedoeling om mij tot Zijn Zoon te brengen. Ik had al vaak gevraagd: ”Heere, wie bent U?”, maar de ogen van mijn hart waren nog niet geopend. Ik dacht dat God heel ver weg was. Mijn ogen moesten geopend worden voor de Heere Jezus. Hij moet het doen en Hij deed het. Ik voelde een nieuw mens in me. Ik kan het niet met woorden beschrijven. De broeder is weggegaan. Ik zeg tegen mijn vrouw: ”Ik wil je iets vertellen”, zij zegt, ”Ik ook”. Zij vertelt precies hetzelfde wat ik wilde zeggen.”

”Voordat we de Heere kenden, waren we ver van God. Wij wisten dat Hij bestond, maar wij waren zondaren. Als we dan voor God moesten komen, zouden we gelijk sterven, omdat Hij heilig is. We moesten eerst gereinigd worden door iemand anders om de schuld weg te nemen. Zijn we nu tot geloof gekomen omdat we goed zijn? Nee, we zijn dezelfde mensen: het oude kleed van zonde is nog om ons. Onze harten zijn zwart geworden door te eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Maar God kijkt vanuit de hemel en ziet niet onze duisternis, maar het bloed van Jezus op ons; Hij ziet ons in Christus.”

”Nu is de angst voor de zonde, de dood weg. Jezus is gestorven voor de zonden die wij hebben gedaan en die we nog doen. Wij gaan naar God met een hart vol vrede. Als ik vroeger was ge-storven, weet ik zeker dat ik naar de hel zou zijn gegaan. Ik was een zondaar, maar van binnen hield ik van Hem. Ik wist dat God vol liefde was, maar ik had de dood verdiend. Als ik nu sterf, weet ik dat ik naar de Heere ga, omdat Jezus betaald heeft.”

Niet alleen de relatie met God veranderde. ”Mijn kinderen kregen een andere vader, mijn vrouw een andere man en ik kreeg een andere vrouw. De Heere heeft onze ogen geopend. Ik zag mijn vrouw in ander licht. In de cultuur waar ik vandaan kom leren mannen om hun vrouw te slaan. Iemand vroeg aan Mohammed: ”Waarom?” Zijn antwoord was: ”Uw vrouw weet het wel.” Toen ik tot geloof kwam, zag ik dat ik niet beter ben dan mijn vrouw. God heeft niet alleen mij, maar ook mijn vrouw lief. Hoe durf ik mijn vrouw een klap te geven? Ze is toch gemaakt van mijn rib? Als zij niet goed is, ben ik het ook niet. Vroeger dacht ik dat alleen mijn vrouw zondig was, de Bijbel zegt dat ik het ook ben. Ik had bij de boom moeten zeggen: ”Niet aankomen”. Ik maakte onrust hier in huis, ik maakte de kinderen in de war. Het begint bij het hoofd van het huis. We zijn nieuwe mensen geworden: voordat we nu een beslissing nemen, gaan we eerst met elkaar overleggen. Eerst gaan we aan de Heere Jezus vragen, of Hij ons wil leiden. Hij is ons Hoofd.”

Satan

Rasak heeft in zijn leven duidelijk gemerkt dat Gods tegenstander hem niet zomaar los wilde la-ten. ”Nadat we tot bekering zijn gekomen, werd de Satan boos. Hij wilde ons terugbrengen naar hem. We woonden toen nog in een ander huis. Er gebeurden daar allerlei vreemde dingen. Wanneer mijn vrouw de kleren ging wassen, ging het licht vanzelf aan en uit. De douche ging midden in de nacht vanzelf aan. Mijn kinderen voelden dat er iemand anders in huis was. We waren bang. Op een nacht lag ik in bed en zag een grote man in de deur van de slaapkamer staan. Ik zag opeens al mijn familie, vrienden en kennissen met zwarte kleren en ze zwaaiden met zwarte vlaggen. Ze riepen ”Allah is groot”. De grote man zei: ”Jij hoort hier” en hij trok mij uit bed. Mijn vrouw sliep nog steeds. Ik volgde hem en wilde naar die mensen gaan. Opeens schreeuwt mijn vrouw: ”De man is weg en die mensen in zwarte kleren ook.” ”Waarom schreeuw je zo?”, vraag ik. ”Er was een man” ”Ik dacht dat het een droom was.” ”Nee, ik zag dat hij jou echt meetrok, het bed uit.”

Rasak durfde dit soort gebeurtenissen bijna niet aan een ander te vertellen. Hij lichtte de evan-gelist wel in. ”De broeder zei tegen ons dat we de boze geesten moesten wegjagen in naam van de Heere. Ik heb de Bijbel gepakt en heb in iedere ruimte gezegd: ”In de naam van de Heere Jezus, ga weg van ons”. Daarna hebben we nooit meer rare dingen meegemaakt of gevoeld. De Heere heeft ons geholpen, alles is goed gekomen.”

Gave

Nadat Rasak de Heere heeft leren kennen, wilde hij het Evangelie niet voor zichzelf houden. Hij bezocht asielzoekerscentra om Koerden en Arabieren Gods boodschap te vertellen. Er waren samenkomsten bij Rasak thuis, maar jammer genoeg kreeg hij geen hulp van andere broeders; totdat hij in een andere gemeente kwam. Enige tijd later nam Marten Visser, de directeur van Gave, contact met hem op. Via Gave kreeg hij onder andere evangelisatielectuur. Ook werkt Rasak in opdracht van stichting Gave. Hij bezoekt door heel het land asielzoekerscentra. ”Ik ben heel erg dankbaar voor Gave. We werken samen voor de Heere.”

Door zijn eigen contacten en de vragen die hij bij Gave krijgt, reist Rasak het hele land door. ”Ik maak contact met de mensen, vertel ze vanuit de Bijbel over schepping en zondeval. Ik vertel over de Heere Jezus dat Hij speciaal is gekomen om zondaars te bevrijden. Heel veel mensen hebben genade gevonden. Er komen Palestijnen tot geloof, Afghanen, Iraanse mannen en vrouwen, maar ook Koerden. Dat heb ik niet gedaan. De Heere Jezus heeft het gedaan. Ik kan geen geloof geven. Ik ben heel erg dankbaar dat de Heere Jezus mij kan gebruiken. Wie ben ik dat ik mensen tot het geloof in Hem mag leiden? Soms duurt het heel lang voordat mensen tot geloof komen. Ik ken wel mensen waar ik al vijf jaar kom om te vertellen over de Heere Jezus.”

Rasak bezoekt graag moslims. ”Moslims moeten allerlei dingen doen. Als christenen mَgen we juist alles doen. De Heiland heeft alles gedaan, het is volbracht. Moslims hebben alleen maar de wet. Ze kennen God, maar kennen de Weg -Jezus- niet. Ik ga ze geen pijn doen door te zeggen dat Mohammed een valse profeet was. Ik vraag hun waar ze hulp zoeken: bij een levende of een dode? Mohammed is iemand die dood is, net als Abraham en Mozes, maar Jezus leeft. Moslims geloven niet in het verzoeningswerk van Jezus, maar het is de belangrijkste boodschap die we ze kunnen brengen.”

Voor een moslim is het moeilijk om tot geloof te komen. Vaak is er de angst om alleen te komen staan. Daarom hebben pas bekeerde moslims veel begeleiding nodig, vindt Rasak. Ook is de drieŽenheid voor veel moslims een struikelblok. ”Wanneer moslims vragen hoeveel goden wij hebben, wijs ik naar een lucifer. Je merkt: vuur, licht en warmte. Toch is het ťťn lucifer. Zo is het ook met God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn ťťn.”

Niet iedere asielzoeker is even blij met de evangelieboodschap. Rasak krijgt wel eens een klap te verduren. ”Dan word ik verdrietig, maar ook dankbaar dat ik mag lijden om Zijns Naam. Kruisdragen is niet makkelijk, maar het geeft ook kracht. Ik ben heel blij dat de Heere mij kan gebruiken.”

De agenda die Rasak maakt, verloopt niet altijd zoals hij dat gepland had. Iedere morgen bidt hij of de Heilige Geest hem wil leiden. ”Ik zou eens naar Zwolle gaan om een vader en dochter naar de kerk te brengen. Ik kom daar, maar niemand doet open. Na lang kloppen komt iemand naar buiten. Ik zeg: ”Ik zoek iemand anders.” ”Wat wil jij van deze mensen?”, kreeg ik als vraag. ”Ik kom over de Heere Jezus vertellen” ”Wacht even, je komt voor mij, ik was net aan het bidden.” Hij had geen benen en kon nauwelijks zijn kamer uit. Maar hij had, net als ik, gebeden: ”Heere wie bent U?”. Toen hoorde hij mij aan de deur kloppen. Dat was Gods antwoord op zijn gebed. De man en dochter die ik eerst wou bezoeken, waren verhuisd. Maar deze man zat op mij te wachten!”

”Ik vind het heel moeilijk om met mensen te praten die in een kerkelijke omgeving zijn opgegroeid, zoals rooms-katholieken. Zij weten alles, toch weten ze niets. Als ik vraag of ze christen zijn zeggen ze ”ja”, maar als ik vraag of ze naar de hemel gaan, weten ze het niet. De Bijbel zegt: ”Wie de Zoon heeft, heeft het Leven, wie de Zoon niet heeft, heeft het leven niet”. Zorg ervoor dat je de Heere Jezus toelaat in je hart. Ik vertel bijvoorbeeld de gelijkenis van de vijf dwaze en vijf dwaze maagden. Alle christenen hebben een lamp, maar heeft u olie in uw lamp als de Bruidegom komt? Heb je de Heilige Geest in je hart?”

”Veel kerkmensen denken dat moslims niet tot geloof kunnen komen. Zij leven nog in de duis-ternis. Zij zijn nog niet geplaatst in het Licht van God, dus ze kunnen nog niet geloven. Wanneer ze tot geloof komen, zien ze de Heere en zeggen: ”De Heere is een God van allen”. ”Zolang de Heere mij wil gebruiken, blijf ik dit werk doen. Ik ben Zijn eigendom, Hij geeft mij kracht en wijs-heid om Zijn werk te doen. Ik ben afgekeurd voor de wereld, maar ik mag de Heere dienen. Als ik werk voor de Heere of praat over Jezus, word ik nooit moe. De Heere Jezus geeft me de kracht.”

Nederlandse christenen

Rasak vindt dat Nederlandse christenenen meer kunnen betekenen voor asielzoekers. ”Wij moeten geloven dat het koninkrijk van de Heere Jezus geen grenzen kent. Dus niet de buitenlanders als vreemdelingen bekijken. De Heere Jezus heeft alles gedaan voor ons. Hij heeft Zijn heerlijkheid verlaten voor ons. Wat een onbegrijpelijke liefde om ons blij te maken. Hij heeft ons gezegend. Wij horen te getuigen van Jezus’ liefde aan anderen. Ik ben in een kerk geweest, waar ik niet welkom was. Ik hoop dat christenen in Nederland zich gaan bekommeren om de asielzoekers. Neem asielzoekers mee naar de kerken. De deuren van de kerken moeten open. Daar is de medicijnkast voor zieke mensen. De moslims en alle mensen van een ander geloof zijn ziek, ook heel veel christenen zijn ziek.”

”Heel veel kerkmensen zien er van buiten netjes uit, maar leven heel ver van de Heere Jezus af. Naamchristenen, ze hebben niks. Ze moeten christen worden, maar willen niet. Een tweede groep zijn mensen die verlost zijn. Ze zijn blij, maar willen niets te maken hebben met anderen. In de gemeente waar ik kwam zeiden 1200 mensen dat ze verlost waren. Toen ik vroeg wie mij wilde helpen om asielzoekers op te zoeken, was de reactie: ”We kunnen niets doen voor anderen, we hebben geen tijd.” De derde groep wil graag alles geven aan de Heere. Net zoals Paulus, hij was onderwezen door GamaliŽl, maar mocht het allemaal gebruiken voor de Heere Jezus.”

Familie

Lange tijd heeft Rasak geen contact gehad met zijn familie. ”Ik stuurde geen post, omdat er oorlog in Irak was. Toen ik zeven jaar geleden als evangelist in Slagharen kwam sprak ik een officier uit Irak, die ook christen was geworden. Hij heeft me geholpen. Via zijn broer in JordaniŽ heeft hij mijn brief verstuurd. Mijn familie kreeg toen te horen dat ik nog leefde. Mijn vader was heel blij en wilde met mijn foto en brief naar mijn zus gaan, maar kreeg een dodelijke hersen-bloeding. Ik vind het heel erg dat ik hem niet over de Heere Jezus heb kunnen vertellen.”

Daarna is Rasak samen met een broeder naar zijn familie in Irak gereisd. Hij had inmiddels een Nederlands paspoort, en Saddams leger mocht niet meer in Noord-Irak komen. Daarom was het veilig voor hem om weer terug te gaan. ”Ik zag thuis een oude vrouw zitten met rouwkleren. Het was mijn moeder. Ze viel flauw toen ze mij zag. Veel kennissen, vrienden en familie kwamen om mij te zien. Het is moeilijk om je eigen familie met het Evangelie te bereiken. Mijn reisgenoot vroeg of hij mocht bidden voor het eten. Ik moest het vertalen: ”Mensen, deze man wil God bedanken”. ”Zonder zich eerst te wassen?” ”Ja, God heeft hem al gewassen, hij is geheiligd van top tot teen. Later zal ik zeggen wie hem gereinigd heeft.” Ik heb het gebed vertaald. Na het ”amen”, zei mijn moeder: ”Dit is de God, die mijn zoon heeft bewaard en terug heeft gebracht”. Ik heb het Evangelie van de Heere Jezus verteld. Mijn moeder heeft de Heere Jezus leren kennen. Ze is nu gestorven. Sommigen van mijn familie wisten dat het Evangelie de Waarheid was, maar hebben het niet aangenomen.”

”Twee van mijn neven zijn tot geloof gekomen. Een was officier in het leger. Hij kwam bij mijn ouderlijk huis in Irak, toen ik daar ook was. Hij had gehoord dat ik in Irak zou komen. Hij heeft speciaal vakantie gevraagd om mij te beschermen. Hij heeft ook van de Heere Jezus gehoord. Ik heb gezegd dat de Heere Jezus hem wilde helpen. Maar hij wilde niet luisteren. ’s Nachts sliep hij op zolder, zodat hij goed kon zien of er iemand aan zou komen. Ik was wakker, en ik zag hem opeens mijn slaapkamer binnenkomen. Hij nam mijn Bijbel mee en ging weer naar boven. Ik had niet de moed om te vragen wat hij wilde doen met mijn Bijbel. Na een uurtje ging ik kijken. Ik dacht: misschien wil hij hem kapotmaken en dit is mijn enige Bijbel. Ik zag hem bij een brandende kaars lezen. Ik heb de Heere gebeden of Hij zijn hart wilde verlichten. De volgende morgen lag de Bijbel weer op hetzelfde plekje. Ik zag hem met rode ogen naar beneden lopen. ”Heb je niet goed geslapen?” ”Nee, ik heb de beste nacht in mijn leven gehad. Ik wil meer van de Heere Jezus weten”. Later heeft hij zijn hart aan de Heere gegeven. Het is een wonder van de Heere Jezus. Wie zoekt zal vinden. Hij is gevlucht naar Nederland, omdat hij niet meer in het leger kon werken. Hij wilde niet meer vechten. In het leger dachten ze dat hij demonen had. Ze hebben hem aan een boom gehangen en met messen zijn voeten kapotgemaakt. Door het bloed gaan de demonen eruit, dachten ze.”

”Dit jaar is de jongste broer van mijn vrouw bij ons geweest. Wij hebben veel voor hem gebeden. Al na een half uurtje rijden, toen we hem van Schiphol opgehaald hadden, zei hij: ”Jullie zijn veranderd”. Hij zag hoe wij leefden met de Heere. Ik heb van de Heere Jezus verteld. Vier weken is hij hier gebleven, aan het eind ging hij mee naar de kerk. Hij zag dat het heel anders was dan het geestelijk leven in de moslimwereld. ”Jullie komen samen rond een Levende.” Dezelfde dag waren we bij mijn geestelijke vader die mij bij de Heere gebracht heeft. Na het eten las hij dezelfde woorden uit de Bijbel die in de dienst gesproken waren. Zijn mond gaat open: ”God is bij jullie, God is hier.” Wij hebben hem geholpen en hij heeft de Heere Jezus leren kennen. Zijn leven is veranderd. Na een maand is hij terug naar Iran gegaan.” ”God gebruikt mensen, maar Satan ook. In Iran zagen zijn zussen dat hij veranderd was. Hij is een ander mens geworden. Hij heeft de Bijbel meegenomen. De buitenkant verscheurd zodat de grenscontroleurs niet konden zien dat het een Bijbel was. Na een paar dagen kreeg hij een ongeluk met zijn brommer. Nu heeft hij een botontsteking. Een ander familielid is bij ons gekomen en heeft ons de schuld gegeven. Hij zei: ”Jullie hebben mijn broer christen gemaakt, en Allah heeft hem gestraft”. Hij wou hier drie maanden blijven, maar is na twee weken al weer teruggegaan naar Iran. Hij kon er niet bij zijn als wij baden. Woedend is hij vertrokken. Wij bidden voor hem.”

”Ik schrijf niet met mijn familie in Irak. Ik ben bang dat de regering mijn brieven onderschept. Wel bellen zij mij soms op, maar dat is erg duur. Naar Iran schrijven we wel, maar je moet heel voorzichtig zijn met wat je schrijft. Je kunt niet over de Heere Jezus vertellen.”

Vreemde telefoontjes

Wij zijn onrein geworden in de ogen van moslims. Soms bellen mensen ons midden in de nacht. Ik neem dan op, maar krijg geen antwoord. Soms klinkt het geluid van een fax, of een machine die mijn stem opneemt. De laatste keer heb ik gezegd: ”Weet u dat de Heere Jezus u liefheeft, en dat Hij voor u gekomen is, als U daarin gelooft? Weet u dat de Heere Jezus zijn leven heeft gegeven voor zondaren?” Mijn vrouw maakt zich wel eens zorgen. Ik geef mijn telefoonnummer alleen aan die dat willen. Broeders geven mijn nummer door aan mensen die zoeken naar het geloof. Veel broeders die het nummer doorgeven, weten niet veel van de Iraanse en Irakese cultuur. Zij weten niet of die mensen echte zoekers zijn of niet. Fanatieke moslims krijgen zo mijn nummer in handen en willen mij bang maken.”

”Ik ben zelf niet bang, de Heere is de machtige. Wij zijn in Zijn handen. Hij heeft ons in het hart van de Vader gebracht. Niemand kan ons pijn doen, als Hij dat niet wil. Soms is er wel beproe-ving, net als bij Job. De Heere wil verheerlijkt worden, niet alleen als we op de bergen zijn maar ook in de dalen, als we in de problemen zitten. Hij wil dat we Hem bedanken voor alles wat er gebeurt.”

Afwijzende Nederlanders

Ik heb hier in mijn woonplaats geen echte vrienden. Ik ken veel lieve mensen, maar er is altijd een afstand. De laatste tijd worden de kinderen gelukkig minder geplaagd. Maar ze hebben ook geen echte vrienden, behalve onze jongste zoon van zeven jaar. Een van mijn zoons wil graag een vriend. Op zijn school komen alle kinderen uit christelijke gezinnen. Dat is fijn, maar ze willen geen contact met vreemdelingen. In de Bijbel staat dat je vreemdelingen moet liefhebben; maar dat geldt niet voor Irakezen, denken mensen misschien.”

”Mijn kinderen zijn ook vaak geslagen. Voor mensen die ons een klap geven, mogen we een voorbeeld van God zijn. Er waren nare ruzies. Wij hebben hier in huis direct geknield. Het is moeilijk voor mij dat mijn kinderen klappen hebben gekregen, maar gelukkig is alles weer goed gekomen. De Heere heeft mij bewaard voor slechte woorden.”

”Ik vind het moeilijk, verschrikkelijk jammer, als een christen zegt: ”Wat doen die zwarte koppen bij ons?” Ik wil er niet alles over vertellen. Mensen die horen bij kerken en toch tegen vluchtelingen zijn. Ze doen niet wat Jezus wil: je naaste liefhebben als jezelf.”

Persoonlijk

Ik ben niet kwaad op alle mensen die mij gepijnigd hebben. Ik ben vroeger ook een zondaar ge-weest. Zij zijn net zo blind als ik toen was. Zij hebben mensen nodig die hun het Evangelie ver-tellen. Ze zullen springen van blijdschap als de Heere hun ogen opent.”

”Ik leer steeds meer van de Heere door bij Jezus’ voeten te zitten. Persoonlijke gemeenschap met Hem, net zoals Maria. We hoeven niet alleen te werken voor Hem. We hoeven niet 24 uur per dag te evangeliseren. Dan lijken we op Martha, ze geloofde in de Heere Jezus, maar ze was te druk. We moeten de Bijbel herkauwen. Heere wat wilt U? Hem alle dingen eerlijk vertellen en ook luisteren naar Zijn antwoord. Dit is iets heel anders dan gemeenschap met elkaar. Gemeenschap met elkaar is ook belangrijk, maar met Jezus is mooier. Daardoor kan ik ook meer van Hem laten zien aan andere mensen.”

”Ik heb de laatste tijd meer geleerd om de Heere te gehoorzamen. Ook als gelovigen willen we wel eens onze eigen weg gaan. Je leest in Filippenzen dat Jezus, God zelf, gehoorzaamheid geleerd heeft. Wij als mensen willen niet nederig worden. Wij vinden onszelf belangrijk, totdat we Jezus’ leven zien, hoe Hij zichzelf vernedert. Als je niet als een kind gelooft, kun je het Koninkrijk van God niet ingaan. Leven als kind: een kind vertrouwt en gelooft alles van zijn vader. Als ik niet gehoorzaam, kan God mij niet gebruiken. Kijk naar Mozes, hij moest veertig jaar de woestijn in, omdat hij God niet onvoorwaardelijk gehoorzaamde.”

”Ik bid voor mijn kinderen. Ik bid om dicht bij de Heere Jezus te leven. Om Hem te volgen in deze donkere wereld, waar de Satan uitkijkt om ons te pakken. Maar hij is bang, omdat Jezus bij ons is.”

”Ik verlang heel erg naar de dag dat de Heere Jezus komt. Ik kijk soms naar de hemel: ”Heere, alstublieft, kom toch”. De Heere komt om ons te halen. Wij moeten klaar zijn als de Heere Jezus komt. Daar is heerlijk leven. Aan de andere kant zegt de Heere ook dat er nog meer bij moeten komen... Hij wacht tot de laatste binnenkomt.”

Rien Bregman
December 1998