Irakese christenen in Nederland hebben het moeilijk met de vervolging en het geweld van IS. ZŪj zijn dan wel veilig, maar hun familie is dagelijks in groot gevaar. Gave sprak met deze vluchtelingen over angst en machteloosheid, maar ook over hoop en vertrouwen.

 “Help mijn ouders… Alsjeblieft!”

Bidden

Stel je voor… Je bent zestien en helemaal alleen in een vreemd land. Dan hoor je op het nieuws dat IS dood en verderf zaait in het gebied waar je ouders wonen. Jij kunt niets voor je ouders doen, helemaal niets. Alleen maar wachten. Hopen dat je moeder niet wordt verkracht, je vader niet vermoord. Bidden dat ze niet sterven door honger, kou of gebrek aan medicatie.
In deze onvoorstelbare situatie leeft de zestienjarige Masara. “Samen met mijn tante ben ik naar Nederland gevlucht. Het was niet meer veilig voor christenen in Irak. Mijn ouders hadden niet genoeg geld om ook mee te gaan. Dus hebben ze besloten om in elk geval mij in veiligheid te brengen.” Een moeilijke keuze voor deze vader en moeder, want meer nog dan in de Nederlandse cultuur horen kinderen bij hun ouders, totdat ze trouwen en een eigen gezin stichten. 

Ouders  

Anderhalve maand geleden kwam IS in het dorp van Masara’s ouders. “Mijn vader en moeder zijn midden in de nacht gevlucht. Ze konden niets meenemen. Tot aan de ochtend hebben ze gelopen. Mijn ouders zijn allebei ziek. Mijn vader heeft een ongeluk gehad met zijn been en kan niet goed lopen. Mijn moeder heeft suikerziekte en heeft medicijnen nodig om door te kunnen gaan. De vlucht was heel zwaar voor hen. Ze hebben geluk gehad dat ze het hebben gered. Sommigen mensen konden niet meer vluchten; kinderen en vrouwen werden door IS gepakt.”
Af en toe heeft het jonge meisje contact met haar vader en moeder. Bellen is duur, voor haar en voor haar ouders. Daarnaast kan ze haar ouders niet altijd bereiken. “Ik hoor verschrikkelijke dingen van hen. Er is geen hulp en mijn ouders slapen op straat. Er zijn mensen die sterven omdat er niet genoeg eten en drinken is. Mijn vader en moeder krijgen ongeveer ťťn keer per week iets te eten. Ze kunnen nergens heen omdat ze geen geld en geen papieren hebben.”

Winter

Masara maakt zich vooral grote zorgen om de winter. “Mijn ouders hebben alleen maar ťťn paar zomerkleren bij zich. Daar lopen ze nu al drie maanden in. Het wordt koud en ze zijn compleet afhankelijk van de hulp die ze krijgen. Ik kan helemaal niets voor hen doen. Alleen maar bidden.” De machteloosheid maakt dat ze slecht slaapt. De christin leeft voortdurend onder grote spanning en voelt zich erg alleen. Masara heeft steun aan de Nederlandse christenen die voor haar bidden, maar roept ook op tot actie. “Ik weet niet wat ik moet doen. Haal mijn ouders daar weg, alsjeblieft! Ik zie geen andere mogelijkheid. Ze kunnen zo niet leven, iedereen gaat daar dood. Het enige wat ik nodig heb is dat mijn ouders daar weg zijn. Ik wil bij ze zijn, ik hoor bij mijn ouders.” 

Aafke Lamberink