In de wereld zult gij verdrukking hebben

In Irak wonen naast de Arabieren en de Koerden nog drie oude volken die we kennen uit de Bijbel: SyriŽrs (oftewel ArameeŽrs), AssyriŽrs en ChaldeeŽn. Al deze volken heb-ben een lange christelijke geschiedenis, en leven nu al 1300 jaar onder islamitische overheersing. Johanna Marten is zo’n ArameeŽr, en christen. Zoals bijna al zijn volksenoten was hij lid van de Syrisch-orthodoxe kerk. Zijn grootste trots was dat zijn volk de taal spreekt die de Heere Jezus ook gesproken moet hebben: Aramees. Maar hoewel hij Christus’ taal sprak, waren Christus’ woorden hem vreemd.

Bekering

Johanna (in Irak een jongensnaam!) woonde in het noorden van Irak. Na de Golfoorlog werd daar ’Vrij Koerdistan’ gevestigd. Saddam Hoessein mocht er van de VN niet meer komen met zijn leger. Het werd gemakkelijker Koerdistan binnen te komen voor buitenlanders. Onder de buitenlanders die er kwamen, waren er ook die het evangelie brachten. Johanna kwam in contact met een Amerikaanse zendeling. Het geloof, dat nooit meer was geweest dan een culturele en etnische identiteit, ging voor hem leven. Of beter gezegd, de Heere Jezus werd een levende realiteit voor hem. Hij begreep nu dat christen zijn niet iets is voor een bepaald volk, maar dat ieder mens Christus nodig heeft. Daarom kreeg hij het verlangen de goede boodschap ook te brengen aan de islamitische Arabieren en Koerden in Irak. Nu kwam zijn talenknobbel goed van pas: Johanna spreekt naast zijn moedertaal twee Arabische dialecten, twee Koerdische talen, Engels en ook een beetje Turks en Farsi. Hierdoor was hij uitermate geschikt om, in samenwerking met verschillende zendingsorganisaties, christelijke lectuur te verspreiden onder Koerden en Arabieren.

Marteling

In 1993 opende Johanna een winkeltje in de Noord-Irakese stad Arbil, waar hij onder andere bijbels en christelijke lectuur verkocht. Na korte tijd werd Johanna opgepakt door een islami-tische, Koerdische partij. Een vreselijke marteling volgde. Het bloed liep overal over zijn lijf. Zijn oor werd zo beschadigd, dat er nu nog steeds medische behandeling nodig is. Juist toen hij er zeker van was dat hij zou sterven, kwam een van de beulen er achter dat hun families uit hetzelfde dorp stamden. Dat was voldoende om hem, bloedend en wel, naar de uitgang te brengen, onder de bezwering: ”Maar doe nooit meer zoiets!” ”Mag ik je dan nog ťťn vraag stellen?”, antwoordde Johanna. ”Mag ik je een bijbel geven?” Zijn beul ontbrandde in woede. ”Waarom dacht je dat we je hadden opgepakt? Omdat je bijbels verspreidt! En nu begin je alweer!” Johanna bond in. ”Nou, okee, laten we dan ruilen: jij geeft mij een koran, en ik jou een bijbel.” Het gesprek eindigde ermee, dat Johanna geen Koran kreeg; dat was te duur. Maar de beul accepteerde het wel dat hij een bijbel van Johanna zou krijgen. Zijn moedige houding bleef niet zonder vrucht. Op dit moment zit Johanna Martens voormalige beul op een bijbelschool in Engeland.

Vlucht

In de jaren daarna bleef Johanna in verschillende plaatsen actief als evangelist door het verspreiden van lectuur. Door de openlijke manier waarop hij te werk ging, stapelden de bedreigingen zich echter op. In 1997 zag hij geen andere uitweg meer dan, samen met zijn vrouw Lina met wie hij inmiddels was getrouwd, naar Nederland te vluchten. Al in het AZC ging Johanna verder waar hij gebleven was: hij zette al zijn christelijke boeken in het raam, en hing er een bordje boven: Arabische bibliotheek. Onlangs kwam hij in contact met Gave. Op het moment wordt gekeken of Johanna nauwer bij het werk van Gave betrokken kan worden, om hem te helpen het evangelie uit te blijven dragen onder Irakezen in Nederland.

(Weergave, Juni 1999)