Justitie twijfelt aan christen-zijn ex-moslim

Dilshad is geboren in Kirkuk, in het zuidoosten van Iraaks Koerdistan. Als jongste in een gezin van elf kinderen toonde hij de meeste interesse in religieuze onderwerpen en ging daarom in Bagdad drie jaar lang uitvoerig de Koran bestuderen.

Het was dezelfde Koran die hem nieuwsgierig maakte naar de profeet Jezus. Hij ondervroeg zijn Koranleraar herhaaldelijk op Koranteksten over Jezus. Tot Dilshad’s verbijstering leverde hem dat op een bepaald moment de reactie op: “Ga niet te diep in op deze punten anders word je gek, of je wordt ‘kafar’ (heiden)”. In zijn geboorteplaats ging hij onder begeleiding van een Chaldeese priester verder op zoek naar de Jezus van de Bijbel. In deze kerk kwam Dilshad tot een levend geloof in de Heere Jezus. Het werd pas echt voor hem gevaarlijk toen hij een Koerdisch moslimmeisje tot geloof leidde.

Vlucht

Dilshad vluchtte naar Griekenland, waar hij werkte voor een internationale zendingsorganisatie. Het nieuws over zijn activiteiten lekte al gauw uit richting Irak. Moslim-militanten lieten Dilshad’s zus gevangen zetten om hem te dwingen te stoppen met evangelisatie. Dilshad vluchtte verder en stuurde foto’s vanuit Nederland naar zijn familie in Irak om de redenen van zijn zusters gevangenneming te ontkrachten. Met succes: zijn zus werd vrijgelaten. Maar toen kreeg hij er een probleem bij.

Niet aannemelijk

De Nederlandse justitie wees zijn asielverzoek na anderhalf jaar af. Dilshad zou niet aannemelijk hebben gemaakt dat hij praktiserend christen was in Irak. Tot overmaat van ramp belandde hij in een AZC waar goede begeleiding nagenoeg ontbrak. VluchtelingenWerk kon hem niet helpen bij het doornemen van zijn interview en zijn afwijzing en verwees hem door naar zijn advocaat. Die had echter nooit meer gedaan dan wat oppervlakkige correcties en de hoofdzaak van zijn asielverzoek. Zijn bekering is nooit grondig met hem doorgenomen.

Miscommunicatie

Toen Gave een grondige kijk nam naar zijn interview en afwijzing, kwamen een aantal opmerkelijke fouten aan het licht. Dilshad had een Koerdische tolk met een moslim achtergrond. Nog afgezien van de vraag of een moslimtolk neutraal kan blijven bij het vertalen van een ge-loofsafvallige, werden er in het interview termen gebruikt die door een moslimtolk onmogelijk begrepen konden worden. Zo werd de vraag of Dilshad ”avondmaal” kende, vertaald met “of er eten meegebracht werd in de kerk”. Zijn laconieke antwoord “de kerk is geen restaurant” werd vervolgens vertaald met “nee, dat hadden wij niet”. In het Nederlandse interview werden christelijke termen gebruikt die in het Koerdisch niet standaard te vertalen zijn. ‘Goede Vrijdag’ is een begrip in het Nederlands, maar kan op verschillende manieren vertaald worden. Bijvoorbeeld als ‘Kruis-Vrijdag’. De waarschijnlijk van huis uit katholieke ambtenaar vroeg aan Dilshad of hij wist wat ‘Witte Donderdag’ was. Dilshad was echter vooral binnen de protestante zendingsorganisatie verder onderwezen over het geloof, en dus onbekend met deze katholieke term. Op de vraag wat er gebeurde op eerste paasdag antwoordde Dilshad:“er is maar ťťn paasdag”. Irak (en de Bijbel) kent maar ťťn paasdag. In zijn afwijzing werd hem dit echter aangerekend. Door alle boven-staande punten leek Dilshad onwetend over het christelijk geloof. Na bemiddeling door Gave heeft Dilshad een christen-advocaat gevonden die de zaak veel beter aanvoelt. Na diens bezwaarschrift lijkt er weer hoop te gloren voor een rechtvaardige afwikkeling van de zaak van deze Koerdische evangelist.

(Weergave, September 2000, Rien van der Toorn)