Column: Wat ik wél weet
18 november 2024
Het wordt er niet gezelliger op in de azc’s. Ik hoor dat veel asielzoekers hopeloos worden. Door de lange wachttijden. Door wat ze horen over de nieuwe regering in Nederland. Door de angst om terug te moeten naar een gevaarlijke situatie in het land van herkomst. De hoop is op.
Elke asielzoeker heeft een uniek verhaal. Over familie, heftige trauma’s, de vlucht. De vragen rondom asielzoekers zijn complex. Ondertussen stapelen de problemen in het organiseren van opvang zich op. Daarnaast kent ons land intern ook forse problemen. Ik heb geen idee hoe het allemaal moet worden opgelost.
Maar toch weet ik ook dingen wél. Als ik naar Jezus Christus kijk, zie ik dat Hij oog heeft voor iedereen. Afkomst doet er niet toe. Hij ziet ook, misschien wel als eerste, mensen die er niet zo bij horen. Een blinde, een kind, een Romeinse hoofdman – eigenlijk een vijand – of een weduwe. Voor Jezus maakt het niet of je in een rubberen vluchtelingenbootje op de Middellandse Zee ronddobbert of in een teakhouten sloep op de Vinkeveense Plassen.
“Voor Jezus maakt het niet of je in een rubberen vluchtelingenbootje op de Middellandse Zee ronddobbert of in een teakhouten sloep op de Vinkeveense Plassen.”
Ik weet dat ieder mens kostbaar is. Gekend door de Schepper. Dát moet iedereen weten en voelen, ook op de azc’s. Dát is waar ik aan vasthoud midden in de asielproblemen.
Wat ik wél weet is dat ik Hem wil volgen in hoe Hij naar mensen kijkt. Dat liefde alles bedekt, verdraagt en hoopt. Dat Hij mijn handen en stem wil gebruiken om Hem te vertegenwoordigen.
In een land waar we het niet meer weten, mag ik met een tas vol hoop in Zijn naam gaan naar plekken waar geen hoop meer is. Voor wat vriendelijkheid en een luisterend oor bij een bakje thee. Daar sluit Hij aan. Misschien is dat wel de belangrijkste remedie tegen ons niet-meer-weten.
Jan Pieter Mostert
Algemeen directeur Gave
Gepubliceerd in Weergave 3, november 2024