“Je speelt met je leven”
Al zijn hele leven lang is de Afghaanse Mohammad Jafari (21) op de vlucht. Van zijn moederland naar Iran, en vice versa. In Afghanistan zijn leven niet zeker, in Iran onderdrukt. Op een koude kerstdag komt hij aan op Schiphol. Verzwakt door een extreme reis. Niets anders bij zich dan de kleding aan zijn lijf. Op zoek naar een land waar hij begrepen wordt, waar hij mag leven. Dit is zijn verhaal.
Een zware reis
‘Dat vluchten niet gemakkelijk is, wist ik. Maar zó erg… dat had ik niet verwacht. Vanuit Iran ben ik samen met anderen, waaronder mijn broer met zijn vrouw en dochtertje, naar Turkije gevlucht. Ik heb uren lang gelopen en heb vaak gedacht dat ik dood zou gaan. De bergen zijn gevaarlijk, je speelt met je leven. Er zijn wilde dieren en de weg is soms onbegaanbaar, mijn handen zaten onder het bloed van striemende takken. Onderweg stierven mensen, anderen vielen en moesten met een gebroken arm of been verder. Ik was bang om in een ravijn te vallen en dat niemand mijn lichaam zou vinden. Dagenlang had ik geen eten en drinken. Ik kan niet uitleggen hoe uitgeput ik was.’
Met een rubberboot ben ik via de Middellandse Zee naar Griekenland gegaan. We zaten met 33 mensen in een kleine boot, die daardoor lek raakte. We hebben continu water moeten hozen, ik was doorweekt en had geen droge kleding. In Griekenland heeft mijn broer vliegtickets geregeld. Ik had geen bagage meer om mee te nemen. Mijn beide rugtassen heb ik onderweg achter moeten laten. Alles is weg. Ook mijn geboortebewijs en foto’s van mijn familie.
‘Er zijn wilde dieren, de weg is soms onbegaanbaar, onderweg stierven mensen, anderen vielen en moesten met een gebroken arm of been verder.’
Een ander land
Ik kwam aan op Schiphol en vertelde aan de politie dat ik asiel wilde aanvragen. Ik werd meegenomen naar een kantoor en vervolgens overgebracht naar Ter Apel. Ik had nog nooit gehoord van een azc en wist niet waar ik terecht zou komen. Maar ik was blij, eindelijk kreeg ik onderdak.
Het leven in een azc is zwaar. Ik zocht een land dat mij begreep, maar ik kreeg het gevoel dat ik er niet mocht zijn. De berichten die ik kreeg waren tegenstrijdig, dat zorgde voor stress. In de rechtbank heb je bijvoorbeeld het idee dat je wordt begrepen, maar een dag later krijg je een brief met het bericht dat je niet kunt blijven. Telkens zulke tegenslagen en grote onzekerheid hebben in die jaren veel gedaan met mij. Langzamerhand ging het steeds slechter met me. Het lukte me niet meer om te studeren, de Nederlandse woordjes kreeg ik met geen mogelijkheid in mijn hoofd. Ik was kapot.
Een nieuw land
De contacten met mensen op school, op straat en in het azc hebben me er doorheen geholpen. Als je alleen thuis gaat zitten, word je gek. Via de jongensclub heb ik Jaap van de Kamp (vrijwilligers-coördinator bij Gave) leren kennen. Hij heeft mij geholpen om spullen te krijgen voor het huis waar ik sinds een paar maanden woon. Eindelijk heb ik een verblijfsvergunning. Wanneer mijn land niet in oorlog was, zou ik nooit naar Nederland zijn gegaan, zelfs niet voor vakantie. Maar toch is dit land mijn tweede thuis geworden, ik vind de Nederlanders goede mensen. Ik ben blij met mijn huis en mijn baantje bij een fastfoodketen. Het gaat steeds beter met me. Ik hoop dat mijn toekomst hier goed is. Dat moet haast wel, ik heb genoeg problemen gehad.’
Tekst: Aafke Lamberink
Foto: Alida Stuut
Uit: Weergave september 2014