De onzekerheid knaagt

Nemat vluchtte met zijn gezin naar Nederland. Als christenen waren ze hun leven niet zeker in Iran. Via de lokale kerk leerden ze ‘vriendelijke mensen’ kennen. Of ze hier echt een bestaan kunnen opbouwen, is nog onzeker.

‘House of joy’ staat boven de kapel van de kerk in Katwijk. Volgens de coronamaatregelen mag Nemat (45) geen mensen van buiten uitnodigen op het asielzoekerscentrum. Vandaar dat het interview moet plaatsvinden in de kapel. Nemat maakt een kleine buiging als we elkaar ontmoeten. “Aangenaam kennis te maken.” Later legt hij uit hoe je dat in Farsi zegt: “Gosh baagtaam.”

Nemat zit vol energie. Hij praat met zijn handen. Oorspronkelijk komt hij uit Mashhad, een miljoenenstad in Iran. Nu woont hij samen met zijn vrouw Mitra, zijn dochter Ghazal (14) en zoon Bardia (7) als vluchteling in Nederland. Als gezin hebben ze net als alle andere families twee kamers beschikbaar in het azc. Een groot verschil met hoe ze in Iran leefden. “We hadden een goed leven daar”, benadrukt Nemat. Hij had een eigen huis, een autowasserette, een auto.

“We hadden een goed leven in Iran.”

Materieel kwamen ze dus niets tekort, maar volgens Nemat misten ze wel iets heel belangrijks: geloofsvrijheid. Nemat en Mitra zijn christenen. Lange tijd konden ze onopgemerkt blijven in Iran, maar na een incident werd het te gevaarlijk om te blijven. Een mensensmokkelaar hielp hen het land uit. “Pas toen we al onderweg waren, vertelden we onze kinderen dat we misschien wel nooit meer konden terugkeren naar Iran.”

Je land achterlaten doet pijn. Maar afscheid van je familie nemen, is helemaal moeilijk. “Vooral Mitra was daar heel verdrietig om. Haar vader overleed toen we net in Nederland waren. Ze wilde in die rouwperiode zo graag bij haar moeder, broers en zussen zijn. Ik heb zelf nog een zus en een vader in Iran. Baba woont alleen, daar maak ik me wel zorgen om. Soms bellen we met onze familie. Maar dat kan niet vaak. Het is niet zonder risico. Voor je het weet, breng je mensen in gevaar.”

Vrienden in Nederland

Sinds negen maanden wonen ze in Katwijk, daarvoor in Emmen. In Emmen maakten ze kennis met de Perzischtalige kerk in Amersfoort en hadden ze contact met een plaatselijke Nederlandse kerk. In Katwijk ontmoetten ze via de kerk ook diverse mensen. Zo zijn Henk en Jan inmiddels echte vrienden geworden. Daarnaast gaan ze in het azc veel om met Iraanse christenen. Die contacten verzachten het gemis aan familie wel en maken dat ze zich hier meer en meer thuis voelen. “Nederlanders zijn vriendelijk tegen ons. Er is wederzijds respect.”

Waar Nemat wel aan moest wennen: Nederlanders doen zo veel op de fiets. “We konden al wel fietsen, maar deden dat bijna nooit. In Iran pak je altijd de auto. Om boodschappen te doen, je kinderen naar school te brengen. Alleen kinderen en mannen fietsen in Iran. Voor kinderen is het vooral een manier om te spelen. In Iran is fietsen op de openbare weg gevaarlijk, want er zijn geen speciale paden. Vrouwen mogen er volgens de islamitische regels zelfs helemaal niet fietsen.”

Zelf corona

Nemat en zijn gezin kwamen een paar maanden voor de uitbraak van corona in Nederland. Vanaf 15 maart vorig jaar golden gelijk strenge maatregelen, ook op hun azc. Twee maanden geleden raakten ze zelf besmet met het virus. Mitra en de kinderen kregen de lichte variant, Nemat was zwaar ziek. “Dat hebben we ervaren als een eenzame periode”, erkent hij, “omdat we als gezin in quarantaine moesten.”

Gelukkig hebben ze juist in dat soort moeilijke periodes veel steun en troost aan hun geloof. Dat ze nu Jezus openlijk mogen volgen, voelt voor hen als een rijkdom. Op Paaszondag kwam daarbij ook een grote wens uit: ze mocht zich laten dopen in de kerk van Rijnsburg. “Het heeft rust en licht in ons leven gebracht. We voelen ons opnieuw geboren.” Nemat legt twee handen tegen zijn wang. “We gingen na onze doop terug naar onze kamers en konden slapen als baby’s.“

Onzekere toekomst

Helaas weten Nemat en Mitra niet of ze mogen blijven. Misschien moeten ze terug naar Italië, waar ze een visum kregen voordat ze uit Iran vluchtten. Kunnen ze achttien maanden in Nederland blijven wonen, dan mogen ze misschien alsnog asiel aanvragen in Nederland. Die onzekerheid knaagt aan hen. “Het doet pijn dat we onze kinderen al zo lang geen normaal leven kunnen bieden. Bardia was vijf toen we uit Iran vertrokken. Hij herinnert zich nog alles van het leven daar. Elke dag vraagt hij aan mij: “Papa, waar is ons huis?”

Tekst: Mariëtte Woudenberg

Foto: Mariët Mostert

 

Hier vind je meer inspirerende verhalen

BLIJF OP DE HOOGTE

Mis niets van ons Gave nieuws en aanbod

Meld je aan voor onze nieuwsbrief
Artboard facebook google+ instagram linkedin maps pinterest twitter vimeo youtube world